|
|
|
|
|
|
| 23
februari 2001, nr 8, pag 37, Auke Schouwstra
|
Oorlogsgravenstichting digitaliseert
namenbestand
Nagedachtenis op de harde
schijf Meer dan twintig kasten staan er,
gevuld met duizenden archiefkaarten. Elke kaart staat voor een
persoonlijk drama. Sinds 1945 beheert de Oorlogsgravenstichting de
graven van slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog. De 180.000 namen
van Nederlanders die vielen zijn de afgelopen maanden stuk voor stuk
opnieuw ingetikt. Doel: het vormen van een modern databeheersysteem,
gebaseerd op Microsofts SQL-Server en Office2000-software. Auke
Schouwstra constateert na een bezoek dat de stichting met een gerust
hart de nieuwe eeuw in kan. ,,De belangstelling voor ons werk neemt
alleen maar toe." Typemachines, balpennen en
archiefkaarten. Die vormden tot een paar weken geleden de
belangrijkste hardware voor de invoer van gegevens bij de
Oorlogsgravenstichting. Bijna vijftig jaar lang hield deze
configuratie het vol. De kantoorautomatisering die in Nederland de
afgelopen vijftien jaar een grote vlucht genomen heeft, leek het
archief van de Oorlogsgravenstichting voorbij te gaan. Het heeft
even geduurd, erkent ook het hoofd Archief & Necrologie J.
Teeuwisse van de Oorlogsgravenstichting. Maar sinds 1 januari 2001
is de situatie totaal anders. Toen werden de kaartenbakken in het
statige Haagse kantoor aan de Zeestraat voor de laatste keer
dichtgeschoven. Twee harde schijven van 9 gigabyte elk vormen nu
officieel het nieuwe archief van de Oorlogsgravenstichting. De
personalia van Nederlanders die omkwamen - 'metterdaad de vijand
bestrijdende, dan wel als gevolg van hun houding ten opzichte van
die vijand' - kunnen dan sneller en via meer ingangen opgezocht
worden in het omvangrijke gegevensbestand. Omdat het nieuwe systeem
een intranet-applicatie is, staat de weg naar het wereldwijde web
ook open voor de Oorlogsgravenstichting. De typemachines kunnen de
deur uit. Ontoegankelijk Nu had het
automatiseerdersgilde de afgelopen jaren wel al een voet tussen de
deur gekregen bij de stichting. Sinds 1990 draait er op het kantoor
een klein netwerkje van zeven computers en een server van Compaq. De
desktopcomputers, draaiend onder Windows NT 4.0, worden onder andere
gebruikt voor het beheer van contacten met nabestaanden. Maar het
hart van de dienst, het 180.000 kaarten tellende archief met
gegevens van oorlogsslachtoffers, blijft decennia lang zoals het is.
Een ontoegankelijk bestand, dat slechts twee ingangen kent: de
achternaam van het slachtoffer en de plaats waar hij of zij begraven
zou moeten liggen. Teeuwisse: ,,Als een willekeurige gemeente in
Nederland wil weten hoeveel oorlogsslachtoffers uit die plaats in de
strijd gevallen zijn, kan de stichting die informatie bijvoorbeeld
niet leveren. Een militair die wil weten hoeveel jongens van zijn
regiment nu eigenlijk omgekomen zijn, kunnen we ook niet helpen. En
de belangstelling voor ons werk neemt alleen maar
toe''. Bovendien worden bepaalde werkzaamheden langzamerhand toch
wel als erg omslachtig ervaren. Voor het veranderen van de
personalia van iemand uit het bestand moeten soms op drie plekken
met de hand wijzigingen opgeschreven of getikt worden. Teeuwisse:
,,We vroegen ons af of we in de toekomst nog wel mensen konden
vinden die dat werk wilden doen''. Conservatieve organisatie Als
men rond 1990 de wens tot automatisering in de markt neerlegt, komen
er al snel wat offertes binnen. Bij de stichting ontstaat de indruk
dat men de klus 'wel even zal klaren'. ,,Voor ons, als een toch wat
conservatieve organisatie, ging dat wat te snel. We zochten een meer
adviserende instelling. We wilden het eigenlijk sámen doen." De
stichting komt in 1991 terecht bij de Haagse Hogeschool. De afdeling
automatisering van de school verzorgt ook opdrachten voor
buitenstaanders. ,,Met behulp van studenten zou er een database
gebouwd worden op basis van onze wensen'', aldus Teeuwisse. Vol
goede moed beginnen beide partijen aan het project. Een paar jaar
later en vijftienduizend gulden armer neemt de stichting
gedesillusioneerd afscheid. Het project is dan in een klassieke
valkuil terechtgekomen. Tijdens het ontwerp van de database komen er
telkens nieuwe wensen op bij de Oorlogsgravenstichting, waar de
uitvoerder niet voldoende weerstand tegen biedt. Dat komt onder
andere omdat de groep studenten die de opdracht uitvoert, vaak
wisselt van samenstelling. Het project verloopt steeds stroperiger,
totdat in 1997 de Oorlogsgravenstichting de opdracht
intrekt. Omdat de noodzaak tot automatisering niet verdwijnt,
zoekt de stichting een andere partner. Dat wordt uiteindelijk
automatiseerder UCC in Nieuwegein. Het bedrijf krijgt de opdracht
een nieuwe database te ontwikkelen en daarnaast zorg te dragen voor
het digitaliseren van het kaartenbaksysteem. Projectleider Matthijs
den Haan: ,,De stichting wilde een systeem dat makkelijk te beheren
zou zijn en niet al te groot. We hebben daarom een database
ontwikkeld die die basisbehoefte dekt. Het is eigenlijk een
webapplicatie die draait op een webserver. De applicatie wordt vanaf
de werkstations benaderd via een browser. Dat heeft als voordeel dat
je op de werkstations geen installatie- en beheersperikelen hebt.
Voor een nieuwe versie hoef je niet alle stations af." De
gebruikersinterface van het Slachtoffer Registratie Systeem (SRS)
werkt met Microsofts Active Server Pages-techniek. De database zelf
werd ontworpen met behulp van SQL. Teeuwisse: ,,Wij wilden kunnen
opzoeken op welk ereveld iemand begraven ligt. Vroeger konden we
alleen maar op achternaam zoeken, nu ook op voornaam. Dat is handig
als iemand een veel voorkomende achternaam als 'Jansen' had. En als
je nu 'IJsselstein' intikt, krijg je een lijst wie van de 180.000
slachtoffers daar geboren is, wie in die plaats overleden is en wie
er daadwerkelijk begraven ligt We kunnen zoeken op alle schermvelden
die er zijn. Dat is een enorme vooruitgang die het systeem veel
toegankelijker maakt." Laatste eer Door het samenvoegen van
verschillende bestanden kan de stichting voortaan voldoen aan een
door gemeenten veel gestelde vraag. Zij willen de laatste jaren
steeds vaker weten welke inwoners er tijdens de oorlog omgekomen
zijn door verzet tegen de nazi's en hun bondgenoten. Met behulp van
de computer kan de stichting die vraag nu door het combineren van
gegevens binnenkort wel beantwoorden. Opmerkelijk is dat veel van
deze verzoeken gedaan worden omdat oud-Indiëgangers in gemeenten een
plek willen waar hen de laatste eer bewezen wordt. Die behoefte is
sterk toegenomen na de publicatie van de bestseller 'De eeuw van
mijn vader' van publicist Geert Mak. In de eerste druk schreef Mak
dat het vooral voormalige Nederlandse SS'ers waren die na de oorlog
naar Indië werden gestuurd om daar als een soort strafoefening de
orde te gaan herstellen. In latere drukken corrigeerde Mak de
opmerking omdat hij niet op waarheid bleek te berusten. Maar het
kwaad was toen al geschied. Scannen op locatie UCC begon
het opbouwen van het gedigitaliseerde namenbestand met het scannen
van alle 180.000 archiefkaarten. Het bedrijf besteedde dat werk uit
aan de afdeling Data Services van de Wegener Direct Marketing Groep.
Vanwege de omvang van het papieren archief en omdat de stichting
door wilde kunnen gaan met haar werk, was het gewenst dat het
scannen op locatie kon gebeuren. Wegener was daar toe in staat. Het
bedrijf plaatste een Kodak-scanner met randapparatuur in het Haagse
kantoor en had minder dan drie weken nodig om alle kaarten in te
scannen. Die aanpak bracht de omvang van het archief terug tot een
stapeltje van twintig cd-rom's. De archiefkaarten zijn opgeslagen
als digitale foto op Tiff G-4 formaat, in een resolutie van 200 dpi.
Ze zijn voorzien van acht indexen: op achternaam, voornamen,
troepenonderdeel, geboortedatum, geboorteplaats, overlijdensdatum,
overlijdensplaats en kaartnummer. Na het scannen volgde het
opnieuw intikken van de gegevens, waarna UCC ze converteerde naar de
database. Bepaalde belangrijke gegevens op de archiefkaarten werden
dubbel ingevoerd, door verschillende typisten. Door deze methode
claimt Wegener een foutenmarge van slechts 3
promille. Monument op internet Voor buitenstaanders
was het grote namenbestand van de stichting tot nu toe nog niet in
zijn geheel toegankelijk. Alleen de namen van slachtoffers van wie
de laatste rustplaats onbekend is, zijn in de jaren zestig afgedrukt
in een 42-delige serie gedenkboeken. De boeken zijn in een zeer
kleine oplage van enkele tientallen stuks gedrukt. Ze zijn in te
zien op de verschillende erebegraafplaatsen in Nederland en op het
kantoor van de stichting. "De boeken zijn eigenlijk een soort
monument voor al die mensen van wie geen graf bekend is", vertelt
Teeuwisse. Binnen afzienbare tijd wil de stichting dat monument ook
op internet oprichten, met de lancering van een website waarop de
namen van de 180.000 omgekomenen te vinden zullen zijn. ,,Daarmee
volgen we onze Engelse en Duitse zusterorganisaties, die al
vergelijkbare websites op internet hebben." Eindelijk erkenning
De
Oorlogsgravenstichting is in 1946 opgericht, met als doel het
Nederlandse oorlogsgraf 'in te richten en in stand te houden'. Er is
toen een inventarisatie gemaakt van de slachtoffers om een
necrologisch bestand op te zetten. Het namenbestand van de
Oorlogsgravenstichting wordt nog steeds regelmatig aangevuld. Dat
komt niet alleen omdat de stichting sinds 1986 ook het graf
registreert van slachtoffers die vallen bij VN-vredesoperaties. Het
komt ook omdat mensen die stierven tussen '40 en '45 op basis van
nieuwe feiten of getuigenverklaringen alsnog tot officieel
oorlogsslachtoffer verklaard worden. Een van de eerste 'recente'
WOII-slachtoffers wiens gegevens rechtstreeks ingevoerd worden in
het nieuwe Slachtoffer Registratie Systeem van de
Oorlogsgravenstichting is Minne Keestra. Zijn neef Hendrik Minne
Keestra (47) constateerde dat zijn oom niet genoemd werd in het
Verzetsmuseum in Leeuwarden. Ten onrechte, volgens vage geruchten
die in de familie rondgingen. Het Friesch Dagblad zocht de zaak tot
de bodem uit en reconstrueerde Minnes dood. Minne Keestra bleek in
augustus 1942 op 24-jarige leeftijd standrechtelijk geëxecuteerd te
zijn, toen hij een opvliegende Duitse soldaat niet wilde vertellen
waar hij zijn radio verstopt had. Vierenvijftig jaar na dato
belde neef Hendrik Keestra de Oorlogsgravenstichting. "Die erkenden
hem alsnog als oorlogsslachtoffer. Voor mij persoonlijk is het een
soort overwinning. De waarheid is nu boven tafel. Vlak na de oorlog
was al eens geprobeerd hem officieel erkend te krijgen, dat lukte
toen niet. Het woog best zwaar bij mij dat iemand zijn leven had
gelaten voor het vaderland, terwijl dat niet erkend werd. Het is een
stukje eerbewijs voor mijn oom. Momenteel ben ik degene die zijn
graf verzorgt. Het is prettig om te weten dat de stichting die zorg
eventueel over kan nemen".
TERUG
 |
© 2002
|
| |